Leddriver kiezen: constante stroom of constante spanning?
Gidsen · 15 okt 2026
Leddriver kiezen: constante stroom of constante spanning?
Geschreven door Engin Demirel · Elektrotechnicus, meester-instructeur · 12 jaar ervaring
Kort antwoord: er zijn twee soorten leddrivers. Een driver met constante stroom (CC) levert een vaste stroom (bijv. 350 mA, 700 mA) en de uitgangsspanning past zich binnen een bereik aan de leds aan; spots, downlights, panelen en ledprintplaten in armaturen werken zo. Een driver met constante spanning (CV) levert een vaste spanning (12 V, 24 V, 48 V) en de stroom hangt af van de belasting; ledstrips, ledbars en magneetrailsystemen werken zo. Voor de juiste driver stem je eerst het type af, dan de stroom of spanning en tot slot het vermogen; dimmethode, plaats en inschakelstroom maken de keuze compleet.
Constante stroom of constante spanning
Een led is een stroomgestuurd onderdeel: de stroom bepaalt hoeveel licht hij geeft en hoe warm hij wordt. Leds worden daarom gebruikt met een driver die de stroom direct regelt, of in modules die hun stroom zelf begrenzen (weerstanden of schakeling).
- Constante stroom (CC): op het label staat een stroom zoals 350 mA, 500 mA, 700 mA of 1050 mA en een spanningsbereik zoals 9–42 V. De leds zijn meestal in serie geschakeld en krijgen dezelfde stroom.
- Constante spanning (CV): op het label staat 12 V DC, 24 V DC of 48 V DC en een maximaal vermogen in W. De belastingen zijn parallel geschakeld; elk stuk ledstrip begrenst zijn eigen stroom.
De twee zijn niet uitwisselbaar. Een ledprint direct op een driver met constante spanning kan te veel stroom trekken en snel defect raken; een ledstrip op een driver met constante stroom brandt niet of werkt verkeerd.
Een driver met constante stroom afstemmen
- Stroom: de uitgangsstroom moet gelijk zijn aan de stroom op het label van de ledprint of het armatuur. Een 700 mA-print op 1050 mA leeft korter; op 350 mA geeft hij minder licht.
- Spanningsbereik: de som van de doorlaatspanningen moet binnen het uitgangsbereik van de driver vallen. Tien leds in serie van elk ongeveer 3 V vragen zo'n 30 V; een driver van 9–42 V past, een van 3–12 V niet.
- Vermogen: stroom × spanning mag het maximale vermogen niet overschrijden (0,7 A × 30 V ≈ 21 W, dus een driver van 25 W of meer).
Bij drivers met instelbare stroom (dipswitches of programmeerbaar) stel je de stroom in vóór montage. Bij vervanging is het label van de oude driver de betrouwbaarste bron: zelfde stroom, zelfde bereik.
Een driver met constante spanning afstemmen
De spanning moet gelijk zijn: een 24 V-strip werkt op een 24 V-driver. Kies het vermogen op de totale belasting plus ongeveer 20% reserve; een driver die steeds op vollast draait, wordt warmer en gaat eerder stuk. Watt per meter, spanningsverlies bij lange stukken en meerdere voedingspunten behandelen we in de gids ledstrip: voeding berekenen; dat herhalen we hier niet.
Ook magneetrailsystemen werken met constante spanning: bij de Lamptime-magneetrail zet de driver netspanning om naar 48 V DC en wordt hij gekozen op het totale vermogen van alle armaturen op de rail. Lamptime heeft hiervoor drivers van 150 W en 250 W; lange, drukke rails krijgen meerdere drivers en voedingspunten.
Dimmen: DALI, 0–10 V, fase-afsnijding en PWM
Wil je dimmen, dan moet de driver daarvoor geschikt zijn; een dimmer op een niet-dimbare driver geeft flikkering en defecten.
- DALI: digitaal en adresseerbaar; elk armatuur apart te dimmen, scènes mogelijk. Gebruikelijk in kantoor, hotel en winkel. Moet ook de kleurtemperatuur verstelbaar zijn, dan is een DALI DT8-driver nodig.
- 1–10 V / 0–10 V: analoog dimmen via een aparte tweeaderige stuurleiding; eenvoudig en veelgebruikt.
- Fase-aan- of -afsnijding: werkt met een bestaande wanddimmer; de geschiktheid voor dat dimmertype moet op de driver staan.
- PWM: bij ledstrips via een controller tussen driver en strip.
Dimmers en drivers van verschillende merken op één groep mengen is de meest voorkomende oorzaak van flikkering. Veel Lamptime-armaturen en stripdrivers zijn er met DALI; de optie staat op de productpagina bij besturing.
Rendement, arbeidsfactor en levensduur
- Rendement: welk deel van het opgenomen vermogen bij de leds aankomt; de rest wordt warmte. Een efficiënte driver blijft koeler.
- Arbeidsfactor (PF): 0,9 of hoger geldt als goed. Veel drivers met lage PF trekken samen meer stroom uit het net, wat bij grotere projecten telt.
- Flikkering: een goede driver levert een gelijkmatige uitgang zonder strepen in camerabeeld en zonder vermoeide ogen.
- Temperatuur: warmte verkort de levensduur het meest. Het label noemt een tc-punt en een maximale omgevingstemperatuur; stop drivers niet in afgesloten, onbeluchte plafondruimtes of hete zolders.
Plaats en IP-klasse
Binnen in een droge ruimte volstaat IP20. Waar vocht mogelijk is, zoals in de badkamer of onder keukenkastjes, en buiten gebruik je een IP65–IP67-driver of plaats je de driver in een beschermde behuizing; kabelinvoeren hebben dezelfde bescherming nodig. Zie onze gids IP-klassen. De driver moet bereikbaar blijven voor onderhoud.
Inschakelstroom: hoeveel drivers per automaat?
Leddrivers trekken bij het inschakelen een zeer korte maar hoge inschakelstroom. Met veel drivers op één installatieautomaat kan die bij het inschakelen afslaan, ook al is het totale vermogen laag. Fabrikanten geven in het datasheet een tabel met het maximale aantal drivers per automaat van 10 A en 16 A, karakteristiek B en C; daarop wordt de groepsindeling gebaseerd. Oplossingen: groepen splitsen, waar toegestaan een C-karakteristiek gebruiken of een inschakelstroombegrenzer toepassen. Voor automaten zie groepenkast en zekeringen, voor onterecht afslaan van de aardlekschakelaar typen aardlekschakelaars. Lokale voorschriften (NEN 1010 in Nederland) gelden.
Tekenen van een defecte driver
- Het licht flikkert, knippert of gaat pas seconden na het schakelen aan.
- Het werkt een tijd, valt uit en gaat afgekoeld weer aan (thermische beveiliging).
- De leds gloeien zwak als ze uit staan (ook een schakelaar in de nul of inductiespanning op lange kabels kan de oorzaak zijn).
- De driver zoemt, wordt erg heet of ruikt.
- Hij flikkert bij dimmen (dimmer en driver niet compatibel).
Meet eerst de uitgang: bij CV de nominale spanning, bij CC de stroom onder belasting. Is er geen of een wisselende uitgang, vervang dan de driver; klopt de uitgang, dan zit het probleem in de ledprint of de bedrading. Metingen en netaansluiting horen door een erkend installateur te gebeuren.
Samengevat
- Lees het label van de ledprint of strip: mA (constante stroom) of V (constante spanning)?
- Stem stroom of spanning exact af.
- Bereken het vermogen en houd reserve.
- Kies de dimmethode (geen, DALI, 1–10 V, fase-afsnijding).
- Controleer IP-klasse en temperatuurgrenzen voor de plaats.
- Controleer het aantal drivers per automaat met de tabel van de fabrikant.
In Bursa helpt ENGN bij de keuze van drivers en armaturen voor verlichtingsprojecten en levert het Lamptime-producten op bestelling.
- → Indirecte verlichting maken
- → Leddriver 24 V DC voor ledstrip – Lamptime BDPL
- → Magneetrail 48 V drivers en aansluitaccessoires – Lamptime MA50
- → LED-strips en profielen
- → Magnetische railverlichting
- → Onze verlichtingswinkel in Bursa
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een leddriver met constante stroom en constante spanning?
Een driver met constante stroom levert een vaste stroom (bijv. 700 mA) met een spanning die met de belasting meebeweegt, voor spots, panelen en ledprints. Een driver met constante spanning levert een vaste spanning (12, 24 of 48 V), voor ledstrips en magneetrails.
Kan een ledstrip op een driver met constante stroom?
Nee. Ledstrips werken met constante spanning; gebruik een driver met constante spanning en dezelfde spanning als de strip (12 V of 24 V).
Hoeveel watt moet een leddriver zijn?
Bij constante spanning de totale belasting plus ongeveer 20% reserve. Bij constante stroom mag ledstroom × totale ledspanning het maximale vermogen van de driver niet overschrijden.
Mag een 700 mA-driver op een 350 mA-led?
Nee. Meer stroom dan opgegeven oververhit de led en verkort de levensduur; de stroom moet exact kloppen.
Waarvoor dient een DALI-driver?
DALI is een digitaal besturingssysteem waarmee elk armatuur apart gedimd kan worden en scènes ingesteld worden. Voor instelbare kleurtemperatuur is DALI DT8 nodig.
Hoe weet je of een leddriver defect is?
Flikkeren, knipperen, vertraagd aangaan, uitvallen bij warmte en zoemen zijn typische tekenen. Ter bevestiging wordt de uitgang gemeten, door een erkend installateur.